CHAPTER 5

Lesson 42 · Verb splitting

ONE VERB · TWO PARTS

Watch the pieces move.

Some Dutch verbs have two parts. They sometimes stay together and sometimes separate. Follow the colours to see what changes.

opbellenIk bel mijn vriend op.I call my friend.

See the pattern

Green: verb Orange: particle

01

A statement

Ik bel mijn vriend op.

The verb changes to match the person. The particle comes later in the main clause.

02

A question

Bel je je vriend op?

In this yes/no question, the verb comes first. The particle stays later.

03

The past

Ik belde mijn vriend op.

Change the verb to the past tense. Keep the two parts separate.

04

With must or want

Ik moet mijn vriend opbellen.

After a modal verb such as moeten or willen, keep the infinitive together.

05

A completed action

Ik heb mijn vriend opgebeld.

Use hebben here. In opgebeld, ge comes between op and beld.

06

After omdat

… omdat ik mijn vriend opbel.

In this subordinate clause, opbel stays together. Sentence length is not the rule.

07

With te

Ik probeer mijn vriend op te bellen.

Put te between the two parts: op te bellen.

Listen & learn

Listen, pause and say the sentence yourself.

01

Ik bel mijn vriend op.

I call my friend.

02

Ik belde mijn vriend op.

I called my friend.

03

Ik heb mijn vriend opgebeld.

I have called my friend.

04

Ik moet mijn vriend opbellen.

I must call my friend.

05

Omdat ik mijn vriend moet opbellen, kan ik niet komen.

Because I have to call my friend, I cannot come.

06

Bel je je vriend op?

Are you calling your friend?

Five useful verbs

Compare the same verb in four sentence patterns.

schoonmaken

to clean
Present
Ik maak de kamer schoon.
Past
Ik maakte de kamer schoon.
Perfect
Ik heb de kamer schoongemaakt.
With moeten
Ik moet de kamer schoonmaken.

meenemen

to take along
Present
Neem jij het boek mee?
Past
Nam jij het boek mee?
Perfect
Heb jij het boek meegenomen?
With moeten
Jij moet het boek meenemen.

opruimen

to tidy up
Present
Wij ruimen de rotzooi op.
Past
Wij ruimden de rotzooi op.
Perfect
Wij hebben de rotzooi opgeruimd.
With moeten
Wij moeten de kamer opruimen.

opbellen

to call
Present
Ik bel je om 5 uur op.
Past
Ik belde je om 5 uur op.
Perfect
Ik heb je om 5 uur opgebeld.
With moeten
Ik moet je om 5 uur opbellen.

opzoeken

to look up
Present
Wij zoeken het op.
Past
Wij zochten het op.
Perfect
Wij hebben het opgezocht.
With moeten
Wij moeten het opzoeken.

Your turn

Say or write your answer first. Then open the answer to check.

Complete: Ik ___ mijn vriend ___. (opbellen)

Ik bel mijn vriend op.

Make a question: jij / het boek / meenemen

Neem jij het boek mee?

Use the past: Wij ___ het ___. (opzoeken)

Wij zochten het op.

Complete: Ik heb de kamer ___. (schoonmaken)

Ik heb de kamer schoongemaakt.

Complete: Ik moet mijn vriend ___. (opbellen)

Ik moet mijn vriend opbellen.

Complete: … omdat ik mijn vriend ___. (opbellen)

… omdat ik mijn vriend opbel.

Complete: Ik probeer mijn vriend ___ ___ ___.

Ik probeer mijn vriend op te bellen.