CHAPTER 3

Practice

Complete the sentences with the correct verbs.

To be

zijnisbenbent

Complete the Dutch sentences. More than one answer may be correct.

Ikblij.
Jijmoe.
Hijstudent.
Wijvrienden.
Zijthuis.
Jullieklaar.
Hetkoud vandaag.
Ikniet ziek.
Uheel aardig.
Zijop vakantie.
De katlief.
Wijhier voor het eerst.
Jullieerg vroeg.
Hijdokter.
Ikgelukkig met mijn nieuwe baan.
De kinderenin de tuin.
Jijvandaag erg stil.
De autokapot.
Wijnog niet klaar.
De hondgroot.

To have

hebhebthebbenheeft

Complete the Dutch sentences. More than one answer may be correct.

Ikeen boek.
Jijeen fiets.
Hijeen hond.
Wijeen afspraak.
Zijeen huis.
Jullietijd.
Heteen mooie kleur.
Ikgeen geld.
Uveel geduld.
Zijvakantie.
De kathonger.
Wijveel plezier.
Julliegeluk.
Hijeen nieuwe baan.
Ikeen vraag.
De kinderenspeelgoed.
Jijeen idee.
De autoeen probleem.
Wijnog geen antwoord.
De honddorst.

To want

wilwiltwillen

Complete the Dutch sentences. More than one answer may be correct.

Ikgraag een kop koffie.
Jijeen nieuwe telefoon.
Hijnaar de bioscoop.
Wijop vakantie.
Zijeen groter huis.
Julliemee naar het feest.
Hetniet lukken.
Ikniet te laat komen.
Uiets anders proberen.
Zijnaar de speeltuin.
De katnaar buiten.
Wijsamen iets doen.
Jullieiets lekkers eten.
Hijeen betere baan.
Ikgraag helpen.
De kinderenspelen.
Jijvandaag vroeg naar huis.
De autoniet starten.
Wijnog even wachten.
De hondeen wandeling maken.