CHAPTER 3
Lesson 23 · Irregular verbs

I want ...
Irregular verbs
Irregular verbs are verbs that don't follow a particular rule. This means that they don't have a consistent pattern, like adding "a certain prescribed part" for the past tense, that applies to all verbs. The next illustrations present some of the most used Dutch irregular verbs.

1 to be, to have, to want
to do, to go, to come, to see
3 to get, to give, to take

1 to stand, to sit, to walk
2 to speak, to drink, to eat
Looking for patterns
Although these irregular verbs do not follow standard rules, some patterns can still be observed. Let's have a closer look at one of these verbs. In this case, we will examine the verb 'to go'. The illustration will show the conjugation of this verb.
Gaan: the right form for each person
Compare the present, past and perfect forms of gaan (to go).
| Tense | ik | jij u | hij zij het | wij jullie zij |
|---|---|---|---|---|
| gaan — to go | ||||
| Present | ga | gaat | gaat | gaan |
| Past | ging | ging | ging | gingen |
| Perfect | ben gegaan | bent gegaan | is gegaan | zijn gegaan |
Tap a person to see the present, past and perfect forms.
gaan — to go
- Present
- ga
- Past
- ging
- Perfect
- ben gegaan
gaan — to go
- Present
- gaat
- Past
- ging
- Perfect
- bent gegaan
gaan — to go
- Present
- gaat
- Past
- ging
- Perfect
- is gegaan
gaan — to go
- Present
- gaan
- Past
- gingen
- Perfect
- zijn gegaan
In the perfect tense, gaan uses zijn: Ik ben gegaan. — I have gone.
In a question: Ga jij mee? With u, keep the -t: Gaat u mee?
Conclusions
For gaan, the present forms are ik ga, jij gaat, hij/zij gaat, u gaat, and wij/jullie/zij gaan. Questions include Ga jij? and Gaat u? In the past: ik ging, wij gingen. Learn the perfect form too: ik ben gegaan.
These are the forms of this verb; they are not a rule for every irregular verb.

1 I go to the mountains
2 we go by car
3 are you going by bike?
Tables
Use the tables to compare each irregular verb. Forms are not always identical for jij, hij and u: compare jij bent, hij is, u bent. Learn each verb with a useful sentence and its past and perfect forms.
to do, to go, to come, to see
doen, gaan, komen, zien
Compare the present, past and perfect forms for each person.
| Tense | ik | jij u | hij zij het | wij jullie zij |
|---|---|---|---|---|
| doen — to do | ||||
| Present | doe | doet | doet | doen |
| Past | deed | deed | deed | deden |
| Perfect | heb gedaan | hebt gedaan | heeft gedaan | hebben gedaan |
| gaan — to go | ||||
| Present | ga | gaat | gaat | gaan |
| Past | ging | ging | ging | gingen |
| Perfect | ben gegaan | bent gegaan | is gegaan | zijn gegaan |
| komen — to come | ||||
| Present | kom | komt | komt | komen |
| Past | kwam | kwam | kwam | kwamen |
| Perfect | ben gekomen | bent gekomen | is gekomen | zijn gekomen |
| zien — to see | ||||
| Present | zie | ziet | ziet | zien |
| Past | zag | zag | zag | zagen |
| Perfect | heb gezien | hebt gezien | heeft gezien | hebben gezien |
Tap a person to see the present, past and perfect forms.
doen — to do
- Present
- doe
- Past
- deed
- Perfect
- heb gedaan
gaan — to go
- Present
- ga
- Past
- ging
- Perfect
- ben gegaan
komen — to come
- Present
- kom
- Past
- kwam
- Perfect
- ben gekomen
zien — to see
- Present
- zie
- Past
- zag
- Perfect
- heb gezien
doen — to do
- Present
- doet
- Past
- deed
- Perfect
- hebt gedaan
gaan — to go
- Present
- gaat
- Past
- ging
- Perfect
- bent gegaan
komen — to come
- Present
- komt
- Past
- kwam
- Perfect
- bent gekomen
zien — to see
- Present
- ziet
- Past
- zag
- Perfect
- hebt gezien
doen — to do
- Present
- doet
- Past
- deed
- Perfect
- heeft gedaan
gaan — to go
- Present
- gaat
- Past
- ging
- Perfect
- is gegaan
komen — to come
- Present
- komt
- Past
- kwam
- Perfect
- is gekomen
zien — to see
- Present
- ziet
- Past
- zag
- Perfect
- heeft gezien
doen — to do
- Present
- doen
- Past
- deden
- Perfect
- hebben gedaan
gaan — to go
- Present
- gaan
- Past
- gingen
- Perfect
- zijn gegaan
komen — to come
- Present
- komen
- Past
- kwamen
- Perfect
- zijn gekomen
zien — to see
- Present
- zien
- Past
- zagen
- Perfect
- hebben gezien
Use zijn with gaan and komen: Ik ben gegaan. Ik ben gekomen. Use hebben with doen and zien.
to stand, to sit, to walk
Staan, zitten and lopen
Compare the present, past and perfect forms for each person.
| Tense | ik | jij u | hij zij het | wij jullie zij |
|---|---|---|---|---|
| staan — to stand | ||||
| Present | sta | staat | staat | staan |
| Past | stond | stond | stond | stonden |
| Perfect | heb gestaan | hebt gestaan | heeft gestaan | hebben gestaan |
| zitten — to sit | ||||
| Present | zit | zit | zit | zitten |
| Past | zat | zat | zat | zaten |
| Perfect | heb gezeten | hebt gezeten | heeft gezeten | hebben gezeten |
| lopen — to walk | ||||
| Present | loop | loopt | loopt | lopen |
| Past | liep | liep | liep | liepen |
| Perfect | heb gelopen | hebt gelopen | heeft gelopen | hebben gelopen |
Tap a person to see the present, past and perfect forms.
staan — to stand
- Present
- sta
- Past
- stond
- Perfect
- heb gestaan
zitten — to sit
- Present
- zit
- Past
- zat
- Perfect
- heb gezeten
lopen — to walk
- Present
- loop
- Past
- liep
- Perfect
- heb gelopen
staan — to stand
- Present
- staat
- Past
- stond
- Perfect
- hebt gestaan
zitten — to sit
- Present
- zit
- Past
- zat
- Perfect
- hebt gezeten
lopen — to walk
- Present
- loopt
- Past
- liep
- Perfect
- hebt gelopen
staan — to stand
- Present
- staat
- Past
- stond
- Perfect
- heeft gestaan
zitten — to sit
- Present
- zit
- Past
- zat
- Perfect
- heeft gezeten
lopen — to walk
- Present
- loopt
- Past
- liep
- Perfect
- heeft gelopen
staan — to stand
- Present
- staan
- Past
- stonden
- Perfect
- hebben gestaan
zitten — to sit
- Present
- zitten
- Past
- zaten
- Perfect
- hebben gezeten
lopen — to walk
- Present
- lopen
- Past
- liepen
- Perfect
- hebben gelopen
No extra -t: jij zit, hij zit. The stem already ends in t.
Walking as an activity: Ik heb een uur gelopen. — I walked for an hour.
Walking to a destination: Ik ben naar huis gelopen. — I walked home. Here, use zijn instead of hebben.
to speak, to drink, to eat, to read
spreken, drinken, eten, lezen
Compare the present, past and perfect forms for each person.
| Tense | ik | jij u | hij zij het | wij jullie zij |
|---|---|---|---|---|
| spreken — to speak | ||||
| Present | spreek | spreekt | spreekt | spreken |
| Past | sprak | sprak | sprak | spraken |
| Perfect | heb gesproken | hebt gesproken | heeft gesproken | hebben gesproken |
| drinken — to drink | ||||
| Present | drink | drinkt | drinkt | drinken |
| Past | dronk | dronk | dronk | dronken |
| Perfect | heb gedronken | hebt gedronken | heeft gedronken | hebben gedronken |
| eten — to eat | ||||
| Present | eet | eet | eet | eten |
| Past | at | at | at | aten |
| Perfect | heb gegeten | hebt gegeten | heeft gegeten | hebben gegeten |
| lezen — to read | ||||
| Present | lees | leest | leest | lezen |
| Past | las | las | las | lazen |
| Perfect | heb gelezen | hebt gelezen | heeft gelezen | hebben gelezen |
Tap a person to see the present, past and perfect forms.
spreken — to speak
- Present
- spreek
- Past
- sprak
- Perfect
- heb gesproken
drinken — to drink
- Present
- drink
- Past
- dronk
- Perfect
- heb gedronken
eten — to eat
- Present
- eet
- Past
- at
- Perfect
- heb gegeten
lezen — to read
- Present
- lees
- Past
- las
- Perfect
- heb gelezen
spreken — to speak
- Present
- spreekt
- Past
- sprak
- Perfect
- hebt gesproken
drinken — to drink
- Present
- drinkt
- Past
- dronk
- Perfect
- hebt gedronken
eten — to eat
- Present
- eet
- Past
- at
- Perfect
- hebt gegeten
lezen — to read
- Present
- leest
- Past
- las
- Perfect
- hebt gelezen
spreken — to speak
- Present
- spreekt
- Past
- sprak
- Perfect
- heeft gesproken
drinken — to drink
- Present
- drinkt
- Past
- dronk
- Perfect
- heeft gedronken
eten — to eat
- Present
- eet
- Past
- at
- Perfect
- heeft gegeten
lezen — to read
- Present
- leest
- Past
- las
- Perfect
- heeft gelezen
spreken — to speak
- Present
- spreken
- Past
- spraken
- Perfect
- hebben gesproken
drinken — to drink
- Present
- drinken
- Past
- dronken
- Perfect
- hebben gedronken
eten — to eat
- Present
- eten
- Past
- aten
- Perfect
- hebben gegeten
lezen — to read
- Present
- lezen
- Past
- lazen
- Perfect
- hebben gelezen
No extra -t in jij eet, hij eet: the stem already ends in t. All four verbs use hebben in the perfect tense.
to write, to stay, to begin
schrijven, blijven, beginnen
Compare the present, past and perfect forms for each person.
| Tense | ik | jij u | hij zij het | wij jullie zij |
|---|---|---|---|---|
| schrijven — to write | ||||
| Present | schrijf | schrijft | schrijft | schrijven |
| Past | schreef | schreef | schreef | schreven |
| Perfect | heb geschreven | hebt geschreven | heeft geschreven | hebben geschreven |
| blijven — to stay | ||||
| Present | blijf | blijft | blijft | blijven |
| Past | bleef | bleef | bleef | bleven |
| Perfect | ben gebleven | bent gebleven | is gebleven | zijn gebleven |
| beginnen — to begin | ||||
| Present | begin | begint | begint | beginnen |
| Past | begon | begon | begon | begonnen |
| Perfect | ben begonnen | bent begonnen | is begonnen | zijn begonnen |
Tap a person to see the present, past and perfect forms.
schrijven — to write
- Present
- schrijf
- Past
- schreef
- Perfect
- heb geschreven
blijven — to stay
- Present
- blijf
- Past
- bleef
- Perfect
- ben gebleven
beginnen — to begin
- Present
- begin
- Past
- begon
- Perfect
- ben begonnen
schrijven — to write
- Present
- schrijft
- Past
- schreef
- Perfect
- hebt geschreven
blijven — to stay
- Present
- blijft
- Past
- bleef
- Perfect
- bent gebleven
beginnen — to begin
- Present
- begint
- Past
- begon
- Perfect
- bent begonnen
schrijven — to write
- Present
- schrijft
- Past
- schreef
- Perfect
- heeft geschreven
blijven — to stay
- Present
- blijft
- Past
- bleef
- Perfect
- is gebleven
beginnen — to begin
- Present
- begint
- Past
- begon
- Perfect
- is begonnen
schrijven — to write
- Present
- schrijven
- Past
- schreven
- Perfect
- hebben geschreven
blijven — to stay
- Present
- blijven
- Past
- bleven
- Perfect
- zijn gebleven
beginnen — to begin
- Present
- beginnen
- Past
- begonnen
- Perfect
- zijn begonnen
Use zijn with blijven and beginnen: Ik ben gebleven. Ik ben begonnen. With schrijven, use hebben: Ik heb geschreven.
More examples

1 I speak Dutch
2 you speak French
3 I spoke Chinese

1 I drink 1 cola
2 I drank 1 cola
3 we drank water

1 I read the newspaper
2 I read the newspaper (past time)
3 we have read the newspaper

1 I sit here
2 I sat here
3 I stand there
Test

1. I go to the mountains
2. We go by car
3. Are you going by bike?

1. I speak Dutch
2. You speak French
3. I spoke Chinese

1. I drink 1 cola
2. I drank 1 cola
3. We drank water

1. I read the newspaper
2. I read the newspaper (past time)
3. We have read the newspaper

1. I sit here
2. I sat here
3. I stand there
Check your understanding
Say or write your answer first. Then open the answer to check.